Gnostici, de vroeg-christelijke dualisten

3 december 2019
door John Molenkamp

Vrijwel elke publicatie over de gnostici en hun denkwijze begint met een kort verslag over de vondst van een aarden kruik in de nabijheid van Nag Hammadi in Opper-Egypte. In 1945, hetzelfde jaar dat een duivels regiem in Berlijn zijn Apocalyps, zijn Einde der Tijden beleefde. vond een Egyptische landbouwer een aardewerken kruik, die een groot aantal 4e-eeuwse, uit het Grieks vertaalde geschriften bevatte.

Het betrof vertalingen uit de 1e en 2e eeuw in het Koptisch geschreven. Koptisch was de in die tijd gangbare schrijftaal van Egypte. Dat het vertalingen van oorspronkelijke Griekse teksten zijn geweest kon men onder meer afleiden uit een vertaald hoofdstuk van Plato’s ‘Politeia’.
De vondst bestond uit zo’n 52 teksten en had een enorme impact.

Meeslepende verhalen

Stelt u zich voor, tussen de vele geschriften trof men titels aan zoals het ‘Evangelie van Thomas’, het ‘Evangelie van de Waarheid’ en uitspraken van Jezus die, tot dan toe, onbekend waren. Ons werd een totaal andere lezing, of beter gezegd, interpretatie, voorgeschoteld over de dood en de wederopstanding van Jezus Christus. Dit alles niet in termen van zonde en verzoening, maar in termen van verlichting die onwetendheid en lijden van de mens weet te overwinnen.

Evangelie van Thomas

Meeslepende verslagen en mythes die verhalen van het hoe en door wie wij en onze tastbare wereld zijn geschapen. Over de kwade God van de Duisternis, de Demiurg, wiens genesis als enig doel had het vonkje licht dat in onze ziel huist en zo sterk naar God verlangt, te overheersen, en voor eeuwig in een sterfelijk en zondig lichaam op te sluiten om zo de vereniging met God’s licht voor altijd te verhinderen.

Eindelijk kregen de wetenschappers een duidelijker en vooral een objectiever beeld over de denkwijze der gnostici. Men was niet langer afhankelijk van een aantal orthodox-christelijke schrijvers die met de nodige vooringenomenheid de gnostici beschreven als vroegchristelijke ketters die van het rechte pad waren afgedwaald.

Dus wat weten we sindsdien van de gnostici?
Allereerst het woord ‘gnosis’: dat woord komt uit het oude Grieks en betekent ‘kennis, inzicht’. Overigens schijnen de termen ‘gnostici’ en ‘gnostiek’ pas in de 17e eeuw voor het eerst te zijn gebruikt door theologen om een verzameling van vroeg-christenen aan te duiden uit de 1e en 2e eeuw, die hoofdzakelijk in Noord-Afrika en Mesopotamië leefden. Het waren dus niet de gnostici zelf die zich ‘gnostici’ noemden.

De Onbewogen Beweger

Gnostiek is ontstaan aan het eind van de 1e eeuw na Christus in Joodse niet-rabbijnse, en vroeg-christelijke gemeenschappen. Tijdens de vormende jaren van het christendom in die eerste eeuw na Christus, ontstond er een aantal sektarische groeperingen (later door hun tegenstanders ‘gnostici’ genoemd) bij wie de spirituele kennis, de gnosis, omtrent het ‘Heilige Licht’ in de mens zélf werd benadrukt. Dit in tegenstelling tot de christelijke leer die de nadruk op ‘Geloof’ (Gr. pistis – ook Trouw), ‘Hoop’ (Gr. elpis) en’Liefde’ plus haar collectieve tradities legde.

Zij maakten een onderscheid tussen de hoogste en onkenbare God, de Onbewogen Beweger, en de Demiurg, God van de Duisternis (Gr. demiourgos – ambachtsman), schepper van de Mens en de materiële wereld waarin hij leeft.

Voor de gnostici was de enige weg om tot verlossing te komen het verkrijgen van spirituele kennis over zichzelf en de goddelijke vlam die in hem was. De enige weg voor de mens was die van afwijzing van de verderfelijke wereld waarin hij leefde. Wanneer hij daar in slaagde zou het licht in hem zich weer verenigen met God en hem het inzicht schenken in het wezen van leven en dood, maar vooral in God. (vgl. het begrip ‘Satori’ – beter begrijpen, zie Zen-Boeddhisme)

Dit beeld staat in tegenstelling tot het christelijke geloof zoals wij dat kennen. Een universum van één aanwezige God die de wereld en de mens geschapen heeft en waarbij wij op de steun en herderlijke sturing van de kerkelijke autoriteiten mogen rekenen om ons te helpen.

De tegenstelling is duidelijk. Aan de ene kant het individueel verwerpen van de wereld met haar duistere kanten en uiteindelijk het opgaan in het goddelijke licht en dat kunnen begrijpen, tegenover het collectief omarmen van de medemens met als uiteindelijk doel de verlossing en het paradijs. Het valt te begrijpen dat onze Kerkvaders de gnostici tot ketters verklaarden.

Dualisme

Om het credo en de religieuze beleving van de gnostici beter te kunnen begrijpen of tenminste wat duidelijker te maken, kunnen we niet om het begrip ‘dualisme’ heen.
Het begrip dualisme gaat over ‘Goed’ en ‘Kwaad’. Het naast elkaar bestaan van Goed en Kwaad. Eén van de meest fundamentele vragen voor christenen en vroeg-christenen. Overigens een vraag die bij de Grieken, de Mesopotamiërs en zelfs de oude Egyptenaren ook al tot diepzinnige beschouwingen leidden.
De meeste mensen in de periode vóór Jezus Christus geloofden dat er meerdere goden verantwoordelijk waren voor onze aanwezigheid op aarde en dat die goden ons geluk, pijn of ellende deden toekomen afhankelijk van onze daden. In de meeste religies waren er altijd wel twee hoofdgoden, de een voor het goede, het licht, en de andere verantwoordelijk voor het kwaad. Men verklaarde het verschil tussen dag en nacht bijvoorbeeld als een dagelijkse strijd tussen het licht en de duisternis en vatte haar samen in het woord dualisme.

Tot zover niets aan de hand. Minimaal twee Goden die elkaar bestreden en door die strijd de mens leerde over de moraliteit van Goed en Kwaad en hoe deze zaken in het dagelijks leven toe te passen.
Zelfs het monotheïsme van het Joodse geloof vertegenwoordigt nog een zeker dualisme, zij het in gevoel en niet in woord. Jahweh heeft als het ware het Goede en het Kwade in zichzelf. Zonder nu te beweren dat we hier te maken hebben met een licht schizofrene God, kunnen we toch zeggen dat wij, bij tijd en wijle geconfronteerd worden met een toornige en wrede God die draconisch straft, om zich kort daarop weer te manifesteren als een liefdevolle God. Het gaat er in deze niet om of er terecht of onterecht gestraft wordt, dat is een pedagogische zaak, maar meer om de twee gezichten van één God.

Waar komt het Kwaad vandaan?

Voor de christenen werd het dualisme pas echt een probleem.
De God van het Nieuwe Testament is een liefdevolle almachtige God, vol mededogen, die zelfs zijn zoon offert voor de mensheid. Eén almachtige God, schepper van mens en dier, van het heelal, van alles.

Maar waar komt dan het kwaad vandaan?

Epicurus, een Griekse filosoof uit de 2e eeuw vóór Christus, heeft zich ook al met deze vraag bezig gehouden en verwoordt dat als volgt:
Wil God het Kwaad verhoeden maar kan Hij dat niet? Dan is Hij niet almachtig.
Kan Hij het maar wil Hij het niet? Dan is God kwaadaardig.
Wil God het kwaad verhoeden en kan Hij dat? Waar komt dan het kwaad vandaan?
Kan Hij het niet én wil Hij het niet? Waarom noemen wij Hem dan God?

Het antwoord op deze vraag is gecompliceerd en lang niet eensluidend. Door de eeuwen heen hebben vele theologen, filosofen, kerkvaders maar ook leken er zich het hoofd over gebroken. In de loop der tijden zijn er talloze theodicee’s geschreven (publicaties die over de vraag gaan of er wel een God bestaat die én volmaakt goed én almachtig is, terwijl het Kwaad toch bestaat). Nog steeds worstelen talloze mensen met deze vraag.

Een door de duivel geschapen hel

Zo ook de gnostici. Alleen met dit verschil dat zij niet konden terugvallen op de wijsheid van 20 eeuwen theologisch onderzoek, van eeuwenoude troost gevende tradities en ceremoniën. Zij moesten in geïsoleerde groepen aan de slag met wat hun was overgeleverd door reizende predikers.
Tegen het eind van de eerste eeuw n.C. was de boodschap van Jezus Christus al verspreid over een enorm gebied, Van het Atlasgebergte, via Noord-Afrika tot diep in Mesopotamië.

De kracht van deze boodschap was ongekend. De mensen die zich bekeerden tot het nieuwe geloof , vonden zichzelf terug in een totaal andere denkwereld, mijlenver van de cultuur en de religieuze opvattingen die zij tot dan toe kenden. (Lat.- conversio, omkeren).
Vooral de morele denkwereld stond haaks op de in die tijd gangbare. Denk aan: “maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe” daar moest je bij de gemiddelde Romein niet mee aankomen die was meer van oog om oog en tand om tand, van straffen en vergelden.

Ik heb ooit eens ergens een uitspraak gelezen van iemand die schreef: Als wij in de afgelopen eeuwen dit principe zouden hebben aangehouden, zouden wij nu in een wereld van tandeloze blinden leven!

Echter, nadat de prediker zijn goede werk had voltooid trok hij verder om aan weer andere mensen de Boodschap te verkondigen en die uit te leggen. Het is aannemelijk dat er na verloop van tijd vragen kwamen. Geen twijfels maar vragen. Over ‘hoe dit mogelijk was’ en of ‘dat mocht’ en ‘waarom God in dat geval zo handelde’.

De antwoorden op deze vragen moest de gemeenschap, veelal in totaal isolement, omringd door vijandige gemeenschappen, zelf uitvogelen. Zij moesten zelf ‘rechtspreken’ in geloofszaken zonder de steun van hen die de weg zouden kunnen duiden. U moet zich voorstellen, er was geen kerkelijke infrastructuur, geen centrale autoriteit. Herderlijke brieven deden er soms maanden over alvorens ze ter bestemde plekke aankwamen, waarna ze gekopieerd werden met alle gevolgen van dien zoals kleine veranderingen die met persoonlijke opvattingen van de schrijver van de kopie te maken hadden.

Afwijzing van de wereld

Dit alles zorgde ervoor dat de interpretaties en inzichten van de geïsoleerde gemeenschap steeds verder divergeerde met die van de buren, laat staan met hen die soms duizenden kilometers verderop woonden.
Uiteindelijk heeft dat geleid tot de overtuiging dat het leven op aarde een door de duivel, de Demiurg, geschapen, hel was waarin de mens, ook al door de Demiurg geschapen, verlangend naar de goede God, moest proberen om het licht, opgesloten in zijn ziel, door het vergaren van kennis, de gnosis, dichter bij God te komen en uiteindelijk in Hem op te gaan. Dit alles door een regiem van strenge ascese te volgen en al het vleselijke en zondige totaal af te wijzen, sterker nog, te negeren. Eigenlijk een totale ontkenning van de wereld.

Samenvattend: het begrip gnosticus is een verzamelnaam voor vroeg-christenen die Jezus Christus als een profeet zagen en die geloofden in een individuele strijd tegen het kwaad door de wereld af te wijzen. Zij zagen de wereld als de Hel op aarde.
Ook vandaag de dag worden de begrippen Gnosis en Gnostici nog misbruikt door allerlei groepen. De één spreekt over oplaaiende ketterij, de ander maakt er een soort van transcendente New Age-mystiek van.
Het belangrijkste is en blijft dat een ieder zijn of haar weg naar God vindt, in een wereld die soms wel door een duistere Demiurg lijkt te worden bestuurd. Alleen deze Demiurg is een mens en die kunnen wij zelf aanpakken.

Naschrift

De vormingsgeschiedenis van het christendom in de eerste eeuwen van onze jaartelling is zeer boeiend. In een van de komende maanden zal Ben Speet, afgestudeerd aan de VU in middeleeuwse geschiedenis, een blog publiceren over een van de belangrijkste concurrerende stromingen van het vroege christendom: de Manicheeërs, en hun disputen met Augustinus (CvK).


John Molenkamp studeerde geschiedenis aan de Sorbonne en publiceerde o.m. over de Eerste en Tweede Wereldoorlog.